Europa wil af van dierproeven!

Europa wil af van dierproeven!

Beeld: AI gegenereerd

Europa wil af van dierproeven! – De chemische werkelijkheid remt af. Dierproeven als “laatste redmiddel”? De praktijk is weerbarstig

Onder de Europese REACH‑verordening geldt een glashelder principe: testen op gewervelde dieren mag alleen als laatste redmiddel. Bedrijven moeten eerst bestaande data delen, alternatieve methoden inzetten en pas in uiterste instantie nieuwe dierproeven uitvoeren.

3 redenen om voor Siam software te kiezen

Zesde ECHA-rapport dieproefalternatieven

Uit het zesde ECHA‑rapport over alternatieven voor dierproeven (juni 2026) blijkt dat die omslag wel in gang is gezet, maar lang niet voltooid is. De grote lijn uit de analyse van 12 971 stoffen (2008–2025, zie tabel 1 op pagina 12 van het rapport):

  • Aanpassingen worden vaker gebruikt dan nieuwe dierproeven.
    • Gemiddeld wordt in 36,7% van de gevallen een “adaptatie” ingezet (zoals read‑across, QSAR, weight of evidence of een waiver), tegenover 31,9% guideline‑studies (figuur 1, pagina 13 van het rapport).
  • Read‑across is koning.
    • Voor complexe, zogeheten “hogere‑tier” eindpunten is het veruit de meest gebruikte aanpak (24,4%), gevolgd door data‑waiving (6,4%), weight of evidence (3,2%) en QSAR‑modellen (2,7%) (figuur 1 en 3, pagina 13–15 van het raport).

In theorie is dit goed nieuws: minder nieuwe dierproeven, meer slimme benutting van bestaande kennis en modellen. Maar ECHA benadrukt tegelijk dat veel van die aanpassingen juridisch en wetenschappelijk tekortschieten. In de evaluatiepraktijk blijkt een aanzienlijk deel van de read‑across‑dossiers onvoldoende onderbouwd, waardoor alsnog extra informatie – vaak in de vorm van dierstudies – moet worden opgevraagd (pagina 13 en samenvatting pagina 24–25 van het rapport).

 

De helft van alle studies is “legacy data”

Wie denkt dat REACH een golf aan nieuwe dierproeven heeft losgemaakt, komt bedrogen uit. Volgens figuur 4 (pagina 17 van het rapport):

  • Ongeveer de helft van alle experimentele studies in de REACH‑database is uitgevoerd vóór 2009, dus vóór de inwerkingtreding van REACH.
  • Voor klassieke toxicologische eindpunten ligt dat aandeel nog hoger:
    • Acute toxiciteit: 68% legacy‑studies
    • In vivo huidirritatie/corrosie: 84%
    • Ernstige oogschade/oogirritatie: 78%
    • Huidsensibilisatie: 57%

REACH heeft dus vooral één ding gedaan: een enorme hoeveelheid al bestaande data zichtbaar en herbruikbaar gemaakt. Zonder die “legacy data” zou de druk om nieuwe dierproeven uit te voeren aanzienlijk groter zijn geweest.

 

Reach de motor voor nieuw onderzoek

Tegelijkertijd is REACH wel degelijk een motor geweest voor nieuw onderzoek bij zwaardere eindpunten zoals herhaalde‑dosis‑toxiciteit en voortplantingstoxiciteit (pagina 16–17 van het rapport). Waar er geen bruikbare alternatieven zijn en er echte informatiehiaten bestaan, leidt de regelgeving nog altijd tot dierproeven – zij het met waar mogelijk gecombineerde testontwerpen (bijvoorbeeld OECD TG 422 in plaats van losse TG 407 en TG 421).

 

Van in vivo naar in vitro voor huid, ogen en allergie

Waar écht geaccrediteerde alternatieven zijn vastgelegd in de wet, zie je een duidelijke omslag. Voor drie eindpunten – huidcorrosie/-irritatie, ernstige oogschade/oogirritatie en huidsensibilisatie – is het beeld onmiskenbaar (figuren 5, 9, 10 en tabel 3, pagina 17, 21–23, 46 van het rapport):

  • Voor huid- en oogirritatie zijn nieuwe studies vrijwel volledig in vitro.
  • Voor huidsensibilisatie geldt:
    • In de periode 1990–2022 was slechts 26,8% van de studies in vitro.
    • In de jaren 2022–2025 is dat aandeel gestegen naar 71,7% van de nieuwe studies (tabel 3, pagina 46 van het rapport).

Kortom: waar de wet expliciet zegt “eerst in vitro” en er internationaal gevalideerde methoden zijn, verschuift de praktijk snel. De resterende in vivo‑studies hebben vooral twee oorzaken (pagina 22 van het rapport):

  1. De stof is technisch niet geschikt voor de in vitro‑test (bijvoorbeeld slechte oplosbaarheid of metalen).
  2. De in vitro‑resultaten zijn te onzeker voor classificatie en risicobeoordeling.

Ook speelt mee dat bedrijven soms dierstudies uitvoeren om aan niet‑EU‑eisen te voldoen en die gegevens vervolgens in hun REACH‑dossier opnemen – een paradox voor een systeem dat dierproeven juist wil terugdringen.

 

Nieuw op de markt: minder nieuwe stoffen, zelfde patronen

Interessant is de blik op de nieuw geregistreerde stoffen tussen 2022 en 2025: in totaal 424 stoffen waarvoor volledige gevareninformatie vereist is (tabel 2, pagina 19 van het rapport). Dat is:

  • Ongeveer een halvering ten opzichte van de vorige periode (889 nieuwe stoffen in 2019–2022).
  • Overwegend kleine volumes: 74% valt in de laagste tonnageband (Annex VII).

Bij deze nieuwe stoffen zien we:

  • Ongeveer 30% van de informatie wordt ingevuld met guideline‑studies,
  • Circa 21% met adaptaties, waarvan read‑across (15,4%) opnieuw de belangrijkste is (figuur 6 en 8, pagina 19–21 van het rapport).

Het patroon lijkt dus sterk op dat van de totale database: waar mogelijk alternatieven, waar nodig dierstudies – met een duidelijke inhaalslag van in vitro‑methoden voor huid, ogen en huidallergie (figuur 9, pagina 22 van het rapport).

 

Europese ambitie: regulering zonder dierproeven

Tegen deze technische achtergrond speelt een veel groter politiek en maatschappelijk verhaal. De EU heeft zich vastgelegd op een geleidelijke, maar uiteindelijk volledige vervanging van dierproeven in de chemische risicobeoordeling:

  • Richtlijn 2010/63/EU schrijft al voor dat dierproeven moeten worden uitgefaseerd zodra dat wetenschappelijk kan.
  • De Europese burgerinitiatiefcampagne “Save Cruelty‑Free Cosmetics” dwong de Commissie tot een duidelijker koers.
  • In reactie daarop werkt de Commissie aan een EU‑roadmap voor het uitfaseren van dierproeven in de chemische veiligheidsbeoordeling (pagina 26 en 29 van het rapport).

 

Circa 15 verschillende wetgevingsdomeinen

Die roadmap zal – zo beschrijft het rapport – niet alleen REACH beslaan, maar circa 15 verschillende wetgevingsdomeinen, van industriële chemicaliën tot pesticiden, biociden, geneesmiddelen, voedsel- en diervoederadditieven en medische hulpmiddelen (pagina 29 van het rapport). Doel: een One Health benadering waarin bescherming van mens, dier en milieu samengaat met het terugdringen van dierproeven.

 

ECHA als spil: van datawacht tot aanjager van NAMs

In die omslag speelt de Europese Chemische Agentschap ECHA een dubbele rol. Enerzijds is het de strenge poortwachter die dossiers toetst en tekortschietende read‑across of QSAR‑redeneringen afkeurt. Anderzijds profileert het zich nadrukkelijk als motor achter nieuwe benaderingen (New Approach Methodologies, NAMs) (hoofdstuk 2, pagina 26–31 van het rapport):

  • Onderzoek en ontwikkeling: een meerjarig raamcontract (ca. € 4,2 miljoen) voor de ontwikkeling, evaluatie en implementatie van NAM‑tools, onder meer op het gebied van:
    • in vitro‑toxicokinetiek en PBK/QIVIVE;
    • omics‑data (bijvoorbeeld bij visembryotesten);
    • nieuwe read‑across‑strategieën.
  • Computermodellen: co‑ontwikkeling en onderhoud van de OECD QSAR Toolbox, plus het (Q)SAR Assessment Framework met heldere criteria voor voorspellende modellen.
  • Omics en nieuwe richtlijnen: inbreng in de OECD Omics Reporting Framework en voorstellen voor aanpassingen van test‑richtlijnen (bijvoorbeeld cryopreservatie‑opties).
  • Data‑infrastructuur: uitbouw van ECHA CHEM en de voorbereiding van een EU‑breed Common Data Platform on Chemicals om tox‑data vindbaar, toegankelijk en herbruikbaar te maken (pagina 28 en 31 van het rapport).

Daarnaast start ECHA het Collaborative Platform on Alternatives to Animal Testing (CP‑AAT), waarin lidstaten, andere agentschappen, industrie en NGO’s structureel gaan overleggen over de implementatie van de roadmap en over concrete hiaten en behoeften aan nieuwe alternatieven (pagina 29–30 van het rapport).

 

Kan het echt helemaal zonder dierproeven?

Het rapport is opvallend eerlijk over de grenzen van de huidige wetenschap. Een volledig dierproefvrije regulering is nog geen realiteit:

  • Complexe eindpunten (bijv. chronische toxiciteit, voortplantingstoxiciteit, carcinogeniteit, milieu‑persistentie en bioaccumulatie) zijn moeilijk volledig te vangen met losse NAM‑tests.
  • Voor veel modellen ontbreekt nog:
    • voldoende internationale standaardisatie;
    • grootschalige validatie (ring‑proeven);
    • heldere criteria voor “regulatory readiness”.

Bovendien bestaat een spanningsveld tussen het juridisch vereiste beschermingsniveau voor mens en milieu en de nog beperkte praktijkervaring met volledig NAM‑gebaseerde beoordelingen. ECHA benadrukt dat het aantonen dat nieuwe methoden hetzelfde (of beter) beschermingsniveau bieden, grootschalige, gecoördineerde datageneratie vraagt, met afgesproken assay‑designs en beoordelingscriteria (pagina 10 en 31, van het rapport).

 

De route is duidelijk, de weg lang

Wie het ECHA‑rapport leest, ziet geen triomfantelijke aankondiging van een dierproefvrije toekomst, maar een nuchtere tussenstand:

  • Heldere vooruitgang waar alternatieven wettelijk zijn verankerd (vooral huid, ogen en huidsensibilisatie).
  • Grote afhankelijkheid van historische dierdata voor de huidige risicobeoordeling.
  • Structurele problemen met de kwaliteit van sommige alternatieve strategieën in dossiers.
  • Sterke politieke druk en een ambitieuze EU‑roadmap om de omslag te versnellen.
  • ECHA in een sleutelrol als zowel strenge toezichthouder als actieve innovator.

De kernboodschap: het tijdperk waarin dierproeven vanzelfsprekend de ruggengraat vormden van chemische veiligheidsbeoordeling loopt af. Maar de vervanging door een volledig dierproefvrij systeem vergt geen cosmetische ingreep, maar een fundamentele herbouw van het wetenschappelijke en juridische bouwwerk onder de Europese chemische regelgeving.

Het ECHA rapport
Lees ook: Biodiversiteitsdag 2026!

Voorbehoud
Deze informatie is met de grootst mogelijke zorg samengesteld, in sommige gevallen uit verschillende informatiebronnen en met behulp van AI. (Interpretatie)fouten zijn niet uitgesloten. Er kan dus geen enkele wettelijke verplichting aan deze tekst worden ontleent. Iedereen die met dit onderwerp te maken krijgt, heeft zelf de verantwoordelijkheid om zich in de materie te verdiepen!